Smaragdhagedis                                     

De smaragdhagedis is een hagedis uit de familie echte hagedissen. Samen met de slechts iets grotere reuzensmaragdhagedis is het een van de grootste soorten hagedissen in Europa. Soms wordt de soortnaam met virides aangeduid, maar dat is onjuist.

De smaragdhagedis is te herkennen aan de groene kleur, ook buiten de paartijd. De lengte is ongeveer 40 centimeter, de helft daarvan is staart. Het is een bodembewonende soort die door de bouw en grootte niet heel behendig is in steil klimmen, maar op lage muurtjes is deze soort erg snel. Het is een felle en erg bijterige hagedis, die meer een schrikeffect bezorgt dan een wond, hoewel het gevaar van tetanus aanwezig is. Het voedsel bestaat uit wat grotere prooien, grote sprinkhanen en krekels, maar ook vogel- en reptieleneieren en nestjonge kleine zoogdieren worden wel gegeten. De smaragdhagedis komt voor op het Balkan-schiereiland, Bulgarije, zuidoostelijk Duitsland, Griekenland, Hongarije, Italië, Kroatië, Zwitserland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Tsjechië, Turkije en Oekraïne. Leefomgevingen met veel lagere vegetatie hebben de voorkeur zodat geschuild kan worden, ook worden wel ondiepe kuilen gegraven of een oud konijnenhol bezet.

Deze hagedis is bijna altijd uniform groen met een gele buik, meestal blauwe keel en een grijze staart. In de paartijd krijgen de mannetjes en soms ook de vrouwtjes een felblauwe keel en een fellere kleur groen op de flanken en rug, maar bij een koppeltje is meestal duidelijk het onderscheid te maken; de kleuren zijn feller bij de man en het lijf is langer en forser, en over de nek en het voorste rugdeel loopt vaak een zeer fijn patroon van lichte en donkere vlekjes.

De juvenielen zijn egaal grijs met een groene buik als ze uit het ei komen, na een jaar krijgen ze een groene rug met twee rijen witte vlekken of twee vlekkerige strepen aan weerszijden van de rug en een gele buik en groenige kop. De eerste winterslaap stellen ze zo lang mogelijk uit; tot eind oktober zijn de jongen te vinden op jacht naar voedsel om een dikkere vetlaag aan te leggen. Na twee tot drie jaar zijn ze volwassen en krijgen ze de egaal groene kleur. Sommige ondersoorten, zoals in Griekenland of Hongarije zijn echter overwegend bruin met een groene rug.